Hoofdstuk 6

Tekst vergroten:

Wat is het recht op vrijheid?

06.01 kleur

Iedereen heeft recht op vrijheid.
Dat recht geldt ook voor jou.

Je hebt het recht om te gaan en te staan waar je wilt
en wanneer je dat wilt.
Dat betekent dat anderen die vrijheid niet zomaar kunnen afpakken.

Een voorbeeld:
Ik moest voor straf naar mijn kamer.
Ik ben toch geen klein kind meer, ik vind dat niet leuk.

Anderen mogen niet voor jou beslissen wat je moet doen,
wat je moet denken of wat je moet voelen.
Anderen mogen je niet zomaar opsluiten of vastbinden.

Een cliënt woont in een zorginstelling omdat het nodig is.
Maar hij is niet verplicht daar te wonen.
Hij woont daar vrijwillig.
We noemen dat een vrijwillige opname.
De cliënt begrijpt dat hij ondersteuning nodig heeft.
Maar als hij dat zou willen, kan hij weggaan.

Kan je tegen je zin in worden opgenomen in een zorginstelling?

01.01.1 kleur

Het kan nodig zijn om iemand op te nemen in een zorginstelling.
Dat is als hij niet goed voor zichzelf kan zorgen.
En als hij zichzelf in gevaar brengt.
Of als hij anderen in gevaar brengt.

Als de cliënt in een zorginstelling wil wonen, is er geen probleem.
Hij krijgt dan de ondersteuning die hij nodig heeft.

Maar het kan zijn dat de cliënt niet in een zorginstelling wil wonen.
Dan mag hij niet zomaar tegen zijn zin worden opgenomen.

De rechter moet dan eerst toestemming geven voor die opname.
De rechter beslist dat het nodig is de cliënt op te nemen in een zorginstelling.
Dat kan alleen als de cliënt zichzelf in gevaar brengt.
Of dat de cliënt anderen in gevaar brengt.
De cliënt krijgt dan een Rechtelijke Machtiging.
Dat wordt ook wel RM genoemd.
Hij is dan gedwongen opgenomen in een zorginstelling.

Een RM is voor maximaal een jaar.
Dan moet de rechter opnieuw kijken of de RM nog nodig is.
Kijken of de cliënt tegen zijn zin in de instelling moet blijven wonen.

Het kan zijn dat het nodig is om een cliënt op te nemen in een zorginstelling.
Maar dat er geen tijd is om de rechter om toestemming te vragen.
Omdat de cliënt direct hulp nodig heeft.
Dan kan dat met toestemming van de burgemeester.
Dat heet een In Bewaring Stelling.
Het wordt ook wel IBS genoemd.
Een IBS is voor 3 weken.
Daarna kijkt de rechter of de cliënt langer tegen zijn zin in de instelling moet blijven wonen.

Een voorbeeld:
Ik heb altijd bij mijn moeder gewoond.
Mijn moeder is vanmiddag in het ziekenhuis opgenomen.
Ik wil niet naar een instelling.
Maar volgens mijn moeder kan ik niet alleen blijven.
Dat zou echt heel gevaarlijk zijn.
Dus er moet echt iets gebeuren.
Maar er is niemand anders bij wie ik zou kunnen logeren.
Mijn moeder zegt dat ik moet worden opgenomen.
Totdat zij weer thuis is.
Maar ik wil echt niet naar een instelling.
Daarom vraagt de hulpverlener een IBS aan.
De burgemeester geeft de IBS.
Ik moet nu naar de instelling.
Ik word dus tegen mijn zin opgenomen in een zorginstelling.
Omdat het te gevaarlijk voor mij is om alleen thuis te zijn.

Wat is een BOPZ - indicatie?

06.03 kleur

Niet iedere cliënt kan zeggen of hij het eens is met het wonen in een zorginstelling.

Het kan zijn dat de cliënt niet aangeeft dat hij het goed vindt om in een zorginstelling te wonen.
Maar ook niet dat hij dat niet goed vindt.
Anderen vinden het nodig dat de cliënt in een zorginstelling woont.

Dan komt een organisatie van buiten de zorginstelling kijken.
Kijken of het klopt dat deze cliënt niet kan zeggen of hij in een zorginstelling wil wonen.
En kijken of het echt nodig is dat de cliënt wordt opgenomen.
Die organisatie geeft de cliënt dan een BOPZ - indicatie.
Dat wordt ook wel een niet vrijwillige opname - indicatie genoemd.
Of een artikel 60 - indicatie.

Dat betekent dat de cliënt niet heeft kunnen kiezen om in de zorginstelling te wonen.

Dit is geregeld in een speciale wet.
Die wet heet wet BOPZ.

Wat is een vrijheidsbeperking?

06.04 kleur

De ondersteuning die je nodig hebt, staat in je ondersteuningsplan.
Daarover heb je afspraken gemaakt met je begeleider.
Mogelijk samen met je vertegenwoordiger.
Je begeleider, je vertegenwoordiger en jij zelf vinden dat deze ondersteuning goed is voor jou.
Je wordt niet in je vrijheid beperkt.

Het kan gebeuren dat je begeleider bepaalde ondersteuning voor jou nodig vindt.
Hij vindt dat je af en toe in je vrijheid beperkt moet worden.
Bijvoorbeeld dat je af en toe even alleen in een rustige ruimte bent.
Of dat je medicijnen nodig hebt om rustig te blijven.
Maar jij vindt dat niet nodig.

Als de begeleider vindt dat het gevaarlijk is als je die ondersteuning niet krijgt, dan kan het zijn dat je de ondersteuning toch krijgt.
De begeleider mag dat niet alleen beslissen.
Hij moet overleggen met anderen.
Met de arts of met de gedragsdeskundige.
Dan wordt je in je vrijheid beperkt.
Dan is de ondersteuning die je krijgt een vrijheidsbeperking.
Dat wordt ook wel een dwangbehandeling genoemd.
Of onvrijwillige zorg.

Vrijheidsbeperkingen kunnen klein zijn.
Bijvoorbeeld als je maar 10 sigaretten per dag mag roken.
Ook dan gelden de regels voor vrijheidsbeperking.

De regels over vrijheidsbeperking staan in de wet BOPZ.

Wanneer mag vrijheidsbeperking worden toegepast?

06.05 kleur

Vrijheidsbeperking mag niet zomaar worden toegepast.

Er zijn voorwaarden voordat vrijheidsbeperking mag:
  • Je woont in een speciale zorginstelling waar vrijheidsbeperking mag worden toegepast.
    Dat heet een zorginstelling met een BOPZ - aanmerking.
  • Jij hebt een RM, een IBS of een BOPZ - indicatie.
  • Het is gevaarlijk voor jou als je niet in je vrijheid beperkt wordt.
    Of er is gevaar voor anderen als je niet in je vrijheid beperkt wordt.
  • Het probleem kan niet op een andere manier worden opgelost.
    Vrijheidsbeperking is de enige oplossing.
  • De vrijheidsbeperking past bij het probleem.


Alleen als aan al deze voorwaarden is voldaan,
kan vrijheidsbeperking worden toegepast.

Vrijheidsbeperking mag nooit als straf worden gebruikt.

Wat is een passende vrijheidsbeperking?

06.06 kleur

De beperking van je vrijheid moet goed passen bij het probleem dat de begeleider wil oplossen.

Dat kun je op 3 manieren bekijken:
  1. De vrijheidsbeperking moet precies goed voor jou zijn.
    Niet te licht en niet te zwaar voor jouw probleem.
    Dat heet met een moeilijk woord proportionaliteit.
  2. De beperking van je vrijheid moet de minst zware vrijheidsbeperking zijn die past bij jouw probleem.
    Dat heet met een moeilijk woord subsidiariteit.
  3. De beperking van je vrijheid moet jouw probleem verhelpen of verminderen.
    Het mag niet te lang duren.
    De vrijheidsbeperking moet stoppen als het probleem weg is.
    Dat heet met een moeilijk woord doelmatig.

Een voorbeeld:
Ik ben vaak erg onrustig.
Als ik onrustig ben krijg ik een tabletje.
Dat tabletje helpt me om rustiger te worden.
Ik vind het vervelend om medicijnen te slikken.
Maar zonder die medicijnen wordt mijn onrust heel erg.
Ik word dan vaak boos en sla om me heen.
Als dat gebeurt, moet ik naar de rustruimte.
Dat vind ik veel erger dan het tabletje slikken.
Dus het tabletje is de beste oplossing.
Het is een vrijheidsbeperking.
Maar het is voor mij de best passende vrijheidsbeperking.

Welke vrijheidsbeperkingen zijn er?

06.07 kleur

Er zijn verschillende vormen van vrijheidsbeperking.

Dit zijn de verschillende vormen van vrijheidsbeperking:

Beperkende regels:
Regels over wat de cliënt niet mag doen of niet mag hebben.

Afzondering:
Regels om de cliënt in een rustige ruimte op te sluiten.

Separatie:
Regels om de cliënt in een speciale ruimte op te sluiten.

Fixatie:
Regels om de cliënt vast te binden.

Ongewilde toediening van medicijnen om je gedrag te beïnvloeden:
Regels om de cliënt tegen zijn zin in medicijnen te geven.

Ongewilde toediening van eten en drinken:
Regels om de cliënt tegen zijn zin in eten en drinken te geven.

Afzondering, separatie, fixatie, het ongewild toedienen van medicijnen en het ongewild toedienen van eten en drinken, worden ook wel middelen en maatregelen genoemd of M en M’s.

Op de volgende bladzijden worden de verschillende vormen uitgelegd.

Wat zijn beperkende regels?

06.08 kleur

In de wet staan verschillende beperkende regels.
Dit zijn regels die zeggen dat je iets niet mag, omdat dat niet goed voor je is.

Beperking van bewegingsvrijheid.
Je mag niet gaan en staan waar je wilt.
Je mag niet altijd alles doen wat je wilt.
Je mag niet alles in bezit hebben wat je wilt.

Een paar voorbeelden:
  • De koelkast zit op slot, zodat ik er niet zomaar in kan.
  • Ik mag geen lucifers hebben.
  • Mijn kledingkast zit op slot.
  • Ik heb een vast dagprogramma waar ik me aan moet houden.

Beperking van contacten met anderen.
Je mag niet iedereen bellen, wie je wilt, wanneer je wilt.
Je mag niet zomaar iedereen op bezoek krijgen.
Je mag geen vriendschap met bepaalde mensen hebben.

Een paar voorbeelden:
  • Ik mag maar 1 keer per week met mijn moeder bellen.
  • Ik mag niet met mijn vriend alleen zijn op mijn kamer.
  • Ik mag geen contact hebben met mijn oude vrienden.

Alle beperkende regels moeten in je ondersteuningsplan staan.

Wat is afzondering?

06.09 kleur

Als je zo boos bent dat je niet meer weet wat je doet.
Dan kan het helpen dat je naar een speciale ruimte gaat.
Een ruimte waar heel weinig spullen in staan.
De deur van die ruimte gaat op slot.
Je kunt dan tot rust komen.
Het alleen in een speciale ruimte zijn heet afzondering.

Er moet goed met jou worden afgesproken hoe lang je in de ruimte blijft.
En wie er af en toe komt kijken.
Of er moet worden afgesproken wie er bij je komt zitten.

Als je afgezonderd wordt, moet dat in je ondersteuningsplan staan.
En het moet besproken worden met jouw vertegenwoordiger.

Wat is separatie?

06.10 kleur

Het kan zijn dat je heel onrustig bent.
Dat je alles kapot wil maken wat je ziet.
Dan kan het nodig zijn dat je opgesloten wordt in een speciale ruimte.
In de ruimte waar je dan komt, is vaak alleen een bed.
Je kan dan niets kapot maken.

Deze ruimte wordt separeerruimte of isoleerruimte genoemd.

Er zijn strenge regels over de separeerruimte.
Er mogen geen scherpe randen of hoeken in de ruimte zijn.
Daar zou iemand zich aan kunnen verwonden.
De ruimte moet ook daglicht hebben.

Als je gesepareerd wordt, moet dat in je ondersteuningsplan staan.
En het moet besproken worden met jouw vertegenwoordiger.

Wat is fixatie?

06.11 kleur

Het kan gebeuren dat je jezelf pijn doet.

Dan kan het nodig zijn dat je bijvoorbeeld washandjes om je handen krijgt.
Dan kan je jezelf niet meer krabben.

Het kan gebeuren dat begeleiders bang zijn dat je valt.
Dan kan het nodig zijn dat je een helm draagt.

Of dat je vastgebonden wordt in bed of in de stoel.
Dit vastbinden gebeurt met een speciaal daarvoor gemaakte band. Zo kan je niet uit je stoel of bed vallen.

Of dat je hekken rond je bed hebt.
Je kan dan niet zelf je bed uitkomen.

Of dat je een tafelblad voor je stoel krijgt.
Dan kun je niet zelf opstaan uit je stoel.

Dit zijn allemaal vormen van fixatie.

Als je gefixeerd wordt, moet dat in je ondersteuningsplan staan.
En het moet besproken worden met jouw vertegenwoordiger.

Wat is ongewilde toediening van medicijnen?

06.12 kleur

Het kan gebeuren dat je erg in de war bent.
Dan kan het zijn dat je medicijnen nodig hebt om rustiger te worden.
Medicijnen die je gedrag beïnvloeden.

De begeleiders mogen je die medicijnen geven.
Ook al ben je het er niet mee eens.
Dat heet ongewilde toediening van medicijnen.

De begeleider moet je wel vertellen dat je die medicijnen krijgt.
En waarom je die medicijnen krijgt.
Medicijnen mogen niet stiekem door je eten of drinken worden gedaan.

Als je ongewild medicijnen krijgt, moet dat in je ondersteuningsplan staan.
En het moet besproken worden met jouw vertegenwoordiger.

Wat is ongewilde toediening van eten of drinken?

06.13 kleur

Het kan gebeuren dat je zo boos bent dat je niet wilt eten of drinken.
Dan kan het voor je gezondheid nodig zijn dat begeleiders je dwingen te eten of drinken.
Als je dan nog niet zelf eet of drinkt, dan mogen zij je op een andere manier eten of drinken geven.

Dat kan met een infuus of met een maagsonde.
Dat zijn voorbeelden van ongewilde toediening van eten of drinken.

Als je ongewild eten of drinken krijgt toegediend, moet dat in je ondersteuningsplan staan.
En het moet besproken worden met jouw vertegenwoordiger.

Waar moeten vrijheidsbeperkingen worden opgeschreven?

06.14 kleur

Iedere vrijheidsbeperking moet goed worden opgeschreven.

Iedere vrijheidsbeperking moet in je ondersteuningsplan staan.

In je ondersteuningsplan moet staan:
  • Welke vrijheidsbeperking is toegepast.
  • Dat alle andere mogelijkheden eerst zijn geprobeerd.
  • Waarom deze vrijheidsbeperking het beste past.

Alle vrijheidsbeperkingen moeten ook op een lijst staan.
De BOPZ - arts van de zorginstelling moet die lijst bijhouden.

Wie moet weten dat vrijheidsbeperkingen worden toegepast?

06.15 kleur

De vrijheidsbeperking moet met jou besproken worden.

Als je in je vrijheid beperkt moet worden kun je zelf aangeven wat voor jou het beste werkt.

Je vertegenwoordiger moet verteld worden dat jij in je vrijheid wordt beperkt.
Je vertegenwoordiger kan dan meekijken dat het goed met je gaat.
Hij kan voor je belangen opkomen.

Alle vrijheidsbeperkingen moeten ook gemeld worden aan de Inspectie Gezondheidszorg.

Wat zijn je rechten bij vrijheidsbeperking?

06.16 kleur

Je hebt speciale rechten als je in je vrijheid beperkt wordt.

Je hebt recht op een deskundige begeleider.
De vrijheidsbeperking mag alleen worden toegepast door een begeleider die goed weet hoe vrijheidsbeperking moet worden toegepast.

Je hebt het recht dat de begeleider niet alleen besluit dat jij in je vrijheid beperkt wordt.
De begeleider moet overleggen met de andere begeleiders.
En met de gedragsdeskundige.
En met de arts.

Je hebt er recht op dat in je ondersteuningsplan wordt opgeschreven als je in je vrijheid beperkt wordt.
Het moet ook gemeld worden bij de BOPZ - arts.
Je hebt er recht op dat steeds gekeken wordt of de vrijheidsbeperking goed voor je is.
Dat heet ook wel evalueren.
Als je in je vrijheid beperkt wordt, moet de begeleider na 1 maand kijken of de vrijheidsbeperking passend is.
Ieder half jaar moet weer gekeken worden of de vrijheidsbeperking nog steeds nodig is.
En of de vrijheidsbeperking nog steeds passend is.

Je hebt het recht je te verzetten tegen de zorg die je krijgt.
Je kunt laten zien dat jij het niet eens bent met je vrijheidsbeperking.
Ook als je niet helemaal begrijpt hoe het zit.
Begeleiders moeten dan goed naar je luisteren.

Je hebt er recht op om te klagen over je vrijheidsbeperking.
Als je het niet eens bent met de zorg die je krijgt, kun je daarover klagen.
Je kunt iemand vragen je daarbij te helpen.
Bijvoorbeeld de cliëntenvertrouwenspersoon.

Je hebt recht op een vertegenwoordiger.
Juist als je in je vrijheid beperkt wordt, is het goed als er iemand met je meekijkt naar de zorg die je krijgt.
De begeleider moet met je vertegenwoordiger overleggen als je in je vrijheid beperkt wordt.

Wat betekent NEE TENZIJ?

06.17 kleur

Alle zorginstellingen samen hebben gezegd dat het niet goed is om cliënten in hun vrijheid te beperken.
Daarom mag het alleen maar als het echt niet anders kan.
Dus zorginstellingen zeggen:
NEE, wij beperken cliënten niet in hun vrijheid,
TENZIJ het echt niet anders kan.

De zorginstelling heeft dus de plicht om alles te doen om te voorkomen dat cliënten in hun vrijheid beperkt worden.

En als het dan echt niet anders kan.
Dan wordt de cliënt maar zo kort mogelijk in zijn vrijheid beperkt.
En wordt de minst ingrijpende manier van vrijheidsbeperking gebruikt.

Moeilijke woorden in hoofdstuk 6

Zorginstelling
De organisatie die zorg- en dienstverlening organiseert.
Ook wel instelling of zorgaanbieder genoemd.
Bijvoorbeeld een woonvorm of een activiteitencentrum.

Ondersteuningsplan
Het plan waarin opgeschreven wordt hoe de begeleiding en ondersteuning van een cliënt eruit gaat zien.
Dit plan heet ook wel begeleidingsplan of zorgplan, behandelplan,
handelplan, persoonlijk plan, verpleegplan, werkplan, groeiplan,
OP, dat is de afkorting voor ondersteuningsplan,
POP, dat is de afkorting voor persoonlijk ondersteuningsplan,
COP, dat is de afkorting van cliëntondersteuningsplan,
IP, dat is de afkorting van individueel plan,
IOP, dat is de afkorting van individueel ondersteuningsplan.

Vertegenwoordiger
Degene die namens de cliënt meedenkt over de zorg en dienstverlening die de cliënt krijgt.
De vertegenwoordiger kan zo nodig voor de cliënt beslissen.

Gedragsdeskundige
De gedragsdeskundige is de orthopedagoog of de psycholoog
Hij weet veel over gedrag en over het veranderen van gedrag.


BOPZ - arts
De dokter die verantwoordelijk is bij het toepassen van vrijheidsbeperkingen.
Vrijheidsbeperkingen die geregeld zijn in de wet BOPZ,

Infuus
Een zakje met vloeistof dat via een slangetje met een naald in je arm komt. Via een infuus kan je vocht of medicijnen krijgen.

Maagsonde
Een slangetje dat via je neus naar je maag loopt waardoor je vloeibaar eten binnen kan krijgen.

Inspectie gezondheidszorg
De inspectie controleert of zorginstellingen zich houden aan de wetten in de gezondheidszorg.

Cliëntenvertrouwenspersoon
Iemand met wie cliënten kunnen praten als er een probleem is met de zorg of begeleider.
Samen kijken zij welke oplossing er gevonden kan worden.