Hoofdstuk 2

Tekst vergroten:

Wat is het recht op informatie?

02.01 kleur1

Iedereen heeft recht op informatie.
Dat recht geldt ook voor jou.

Je hebt recht op alle informatie die voor jou belangrijk is.
De begeleider is verplicht jou te vertellen wat belangrijk is voor jou.
Ook je vertegenwoordiger moet goede informatie geven aan jou.
Je hebt recht op duidelijke informatie.

Een voorbeeld:
Er gaat bij ons in huis een heleboel veranderen.
Een aantal mensen moet verhuizen.
Ik snap niet goed wat de begeleider daarover verteld heeft.
Hij zei dat ik misschien ook ging verhuizen.
Maar ik snap niet waarom ik moet verhuizen.
Ik weet ook niet of ik wel wil verhuizen.
Wat kan ik hieraan doen?

Informatie is pas goed als jij het begrijpt.
Heeft de begeleider het uitgelegd, maar begrijp je het nog niet?
Dan kun je vragen of hij het nog een keer wil uitleggen.
Net zo lang totdat je het begrijpt.

Je mag alles vragen wat je wilt weten.
Jij beslist wat voor jou belangrijk is.
Het gaat over jouw leven.
Daarom is het belangrijk dat je veel vraagt en het goed snapt.

Je hebt dus recht op informatie krijgen en informatie vragen.
Je kunt ook zelf informatie opzoeken, bijvoorbeeld op internet.
De zorginstelling heeft ook veel informatie.
Vraag je begeleider om die informatie.

Wat is begrijpelijke informatie?

02.02 kleur

Informatie is pas goed als jij het begrijpt.
Dus de informatie moet in begrijpelijke taal zijn.
Er moeten geen moeilijke woorden gebruikt worden.
Of de woorden moeten goed worden uitgelegd.

Als dat nodig is voor jou moet de informatie in gebarentaal zijn.
De begeleider moet de informatie zo aanpassen dat jij het begrijpt.

Je kunt ook vragen of je de informatie op papier kan krijgen.
Dat kan handig zijn.
Ook op papier moeten geen moeilijke woorden staan.
Of de woorden moeten goed worden uitgelegd.
Het is belangrijk dat de letters niet te klein zijn.

Het is voor veel mensen handig als er ook plaatjes bij staan.
Dan is de informatie beter te begrijpen.
Er kunnen pictogrammen bij staan.
Of er kunnen tekeningen bij staan.
Of er kunnen foto’s bij staan.

De informatie kan ook worden ingesproken op een dvd.
Dan kun je er later nog een keer naar luisteren.

Je kunt ook een filmpje bekijken over het onderwerp.
Dat is vaak een heel duidelijke manier om informatie te krijgen.

Soms is de beste manier om informatie te krijgen door het zelf mee te maken.
Dat kan niet altijd, maar soms kan dat wel.

Een voorbeeld:
Ik wilde met mijn verjaardag in een restaurant gaan eten.
Mijn begeleider vertelde over een paar restaurants.
Ik vond dat lastig om te kiezen.
Hij heeft me ook de informatie op internet laten zien.
Daar zag ik foto’s van de restaurants.
Later zijn we ook nog gaan kijken.
Toen wist ik in welk restaurant ik wilde gaan eten.


Op welke informatie heeft de cliënt recht?

02.03 kleur

Iedere cliënt heeft recht op alle informatie die voor hem belangrijk is.
Het is daarom goed om met je begeleider te overleggen.
Je kunt je begeleider vertellen wat jij belangrijk vindt om te weten.
Je kunt ook vragen welke informatie er allemaal is.

Je hebt in ieder geval recht op de informatie in jouw dossier.
In je dossier staat alle informatie rond de ondersteuning die je krijgt.
Alles wat over jou wordt opgeschreven, hoort in je dossier.
Je mag alles lezen wat er in jouw dossier staat.

Ook je ondersteuningsplan hoort in je dossier.
Je mag je eigen ondersteuningsplan lezen.
Of je kunt je begeleider vragen om voor te lezen.
Of je familie of de cliëntenvertrouwenspersoon.

Je mag ook altijd lezen wat begeleiders over jou schrijven in de dagrapportage.
Je mag niet lezen wat de begeleiders over anderen hebben opgeschreven.

Je kunt met je begeleider afspreken welke informatie jij nog meer wilt hebben.

Welke informatie kan de cliënt aan zijn begeleider vragen?

02.04 kleur

Je kunt je begeleider informatie vragen over alles wat jij belangrijk vindt.

Je kunt informatie vragen over:
  • je ondersteuningsplan en je dossier,
  • wat de begeleider voor je kan doen,
  • de medicijnen die je gebruikt,
  • vrijetijdsbesteding, bijvoorbeeld een sportclub,
  • je rechten,
  • je geld en je bankrekening,
  • de eigen bijdrage die je moet betalen,
  • de cliëntenraad en het huiskameroverleg,
  • werk of dagbesteding,
  • je indicatie,
  • afspraken met de dokter of de tandarts,
  • de uitslag van een onderzoek door de dokter,
  • de cliëntenvertrouwenspersoon,
  • de afspraken die voor jou gelden,
  • vakantie of een uitstapje,
  • de huisregels,
  • ontwikkelingen binnen de zorginstelling.

En over alle andere onderwerpen die jij belangrijk vindt!

Heb je altijd recht op informatie?

02.05 kleur

Je hebt altijd recht op informatie.
Ook als je niet zelf kan beslissen.

Soms is de informatie misschien te moeilijk voor jou.
De begeleider moet het altijd proberen uit te leggen.
Ook als de begeleider niet weet of het voor jou te begrijpen is.
Dat is de taak van de begeleider.
Het zal niet altijd lukken om het jou goed uit te leggen.

Het kan zijn dat informatie voor jou te moeilijk is.
Dan heeft jouw vertegenwoordiger recht op de informatie.
De begeleider moet de informatie dan aan je vertegenwoordiger geven.

Een voorbeeld:
Ik ben bij de dokter geweest.
De dokter heeft me de uitslag van een onderzoek gegeven.
Maar het is allemaal heel ingewikkeld.
Gelukkig is mijn begeleider meegekomen.
Ik heb gevraagd of mijn begeleider het straks nog een keer wil uitleggen.
Ik heb ook gevraagd of de begeleider mijn ouders wil bellen.
Ik wil graag dat zij ook de uitslag van het onderzoek weten.

Als anderen voor jou beslissen, moeten ze je dat dan vertellen?

02.09 kleur

Niet alle cliënten kunnen goed zelf alle besluiten nemen.

Het kan zijn dat jij niet zelf goed een besluit kan nemen.
Dan neemt je begeleider dat besluit.
Of je vertegenwoordiger neemt het besluit voor jou.
Je hebt dan het recht op die informatie.

Je begeleider moet je uitleggen waarom je niet zelf kan beslissen.
En welk besluit er voor jou is genomen.
En wat de redenen zijn voor dat besluit.

Een voorbeeld:
Ik wil graag gaan winkelen in de stad.
Maar ik zie zelf niet dat het niet veilig is voor mij.
Ik let niet goed op in het verkeer en dat maakt het gevaarlijk.
Mijn begeleider heeft beslist dat ik niet alleen naar de stad mag.
Hij heeft me dat verteld.
Hij heeft uitgelegd dat het gevaarlijk is in het verkeer.
We hebben afgesproken om morgen samen de stad in te gaan.
En we gaan bespreken hoe ik kan leren zelf naar de stad te gaan.

Moet de cliënt alles weten?

02.07 kleur

Begeleiders moeten jou alles vertellen wat voor jou belangrijk is.
Maar niet iedereen wil alles weten.
Daarom heb je ook het recht om niet alles te hoeven weten.

Je kunt je begeleider vertellen dat je niet alles wilt weten.
Je begeleider hoeft je dat dan niet te vertellen.
Je hebt het recht om te kiezen of je iets wel of niet wilt weten.
Tenzij je gevaar loopt als je het niet weet.

Een voorbeeld:
Ik vind het eng om naar de dokter te gaan.
Ik heb mijn begeleider gevraagd om mij niet te vertellen wanneer ik weer een afspraak bij de dokter heb.
Ik wil dat niet weten.
Ik heb mijn begeleider gevraagd om dat pas te vertellen op de ochtend van de afspraak.

Zitten er grenzen aan het recht op informatie?

02.08 kleur

Iedereen heeft recht op informatie. Dat staat in de wet.
Dat geldt voor iedere burger en dus voor iedere cliënt.
Want iedere cliënt is een burger.

Maar omdat je ondersteuning krijgt van een zorginstelling, zitten er grenzen aan het recht op informatie.
Dat is omdat begeleiders de plicht hebben om goede zorg te geven.
Dan kan goede zorg zwaarder wegen dan het recht op informatie.
Dan vertellen ze jou niet alles.
De begeleider voorkomt zo dat je een vervelende tijd hebt.

Het nadeel van geven van de informatie moet echt heel groot zijn.
Het kan dat je alleen een beetje zenuwachtig wordt.
Of dat je boos wordt, of verdrietig.
Dat is geen reden om jou geen informatie te geven.
De begeleider moet altijd zoveel mogelijk de informatie geven.

Maar het kan zijn dat je heel gespannen raakt van informatie.
Zo gespannen dat je misschien jezelf gaat beschadigen.
Of anderen gaat slaan of schoppen.
Of dat je ziek wordt van de informatie.
Of niet meer naar je werk kan gaan.

De begeleider kan dan een aantal dingen doen:
  • Hij kan beslissen om je de informatie niet te geven
  • Hij kan je de informatie kort van te voren geven.
  • Hij kan je de informatie geven op een voor jou beter moment.
  • Hij kan je een deel van de informatie geven.
Dat mag alleen als het door de informatie echt slecht met je zou gaan.

Het kan dus dat de begeleider jou niet alle informatie geeft.
Hij moet het dan wel aan je vertegenwoordiger vertellen.
En hij moet het in je ondersteuningsplan schrijven.

De begeleider moet blijven uitproberen hoe je met informatie omgaat.
Want waarschijnlijk kun je wel leren om met informatie om te gaan.
Hij moet je helpen om te leren omgaan met vervelende informatie.

Alleen als het door de informatie heel slecht met je zou gaan,
dan mag de begeleider de informatie achterhouden.
Dan weegt de goede zorg zwaarder dan je recht op informatie.
Het kan zijn dat het na een tijdje beter met je gaat.
Dan moet de begeleider je alsnog de informatie geven.

Een voorbeeld:
Ik vind het heel spannend om op vakantie te gaan.
Als ik op vakantie ben, heb ik het goed naar mijn zin.
Maar als ik van te voren weet dat ik op vakantie ga, gaat het heel slecht met me.
Ik ga dan van spanning steeds op mijn hand bijten.
Net zo lang tot het gaat bloeden.
Daarom vertelt de begeleider mij niet dat ik op vakantie ga.
Ik hoor het pas op de dag dat we weg gaan. 

Je begeleider mag dat niet allemaal alleen beslissen.
Hij moet overleggen met anderen.
Met andere begeleiders en met je vertegenwoordiger.

Als je begeleider je niet alles vertelt, kan je hem dan wel vertrouwen?

02.06 kleur

Het is belangrijk dat je je begeleider kunt vertrouwen.
Want dan kan hij je het beste ondersteunen.

Maar het kan zijn dat het voor jou lastig is om je begeleider te vertrouwen.
Omdat je niet weet of hij je wel alles vertelt.
Je denkt dat je begeleider je niet alle informatie geeft.
Daar kan je dan heel onrustig van worden.

Het is belangrijk dat je daar over praat met je begeleider.
Of met iemand anders die je vertrouwt.
Je familie of de cliëntenvertrouwenspersoon.

De begeleider kan dan vertellen waarom hij dat doet.
Of dat hij je wel alle informatie geeft en dat je je vergist hebt.

Je begeleider moet jou goede zorg geven.
En soms weegt de goede zorg zwaarder dan je recht op informatie.
Maar daar moeten dan wel heel goede redenen voor zijn.

Moeilijke woorden in hoofdstuk 2

Vertegenwoordiger
Degene die namens de cliënt meedenkt over de zorg en dienstverlening die de cliënt krijgt.
De vertegenwoordiger kan zo nodig voor de cliënt beslissen.

Dossier
Alle gegevens van de cliënt rond de zorg- en dienstverlening.

Ondersteuningsplan
Het plan waarin opgeschreven wordt hoe de begeleiding en ondersteuning van een cliënt eruit gaat zien.
Dit plan heet ook wel begeleidingsplan of zorgplan, behandelplan,
handelplan, persoonlijk plan, verpleegplan, werkplan, groeiplan,
OP, dat is de afkorting voor ondersteuningsplan,
POP, dat is de afkorting voor persoonlijk ondersteuningsplan,
COP, dat is de afkorting van cliëntondersteuningsplan,
IP, dat is de afkorting van individueel plan,
IOP, dat is de afkorting van individueel ondersteuningsplan.

Cliëntenvertrouwenspersoon
Iemand met wie cliënten kunnen praten als er een probleem is met de zorg of met een begeleider.
Samen kijken zij welke oplossing er gevonden kan worden.

Dagrapportage
De aantekeningen van de begeleiders voor de overdracht.
Indicatie
Een indicatie geeft aan hoeveel en welke zorg iemand nodig heeft.

Zorginstelling
De organisatie die zorg- en dienstverlening organiseert.
Ook wel instelling of zorgaanbieder genoemd.
Bijvoorbeeld een woonvorm of een activiteitencentrum.